Interview met de maker van Souvenirshop

In Souvenirshop, een samenwerking tussen BRONKS en Not Standing/Alexander Vantournhout, wekt danser Miguel do Vale de bijzondere souvenirverzameling van Vantournhout tot leven. Met de première in het vooruitzicht, geeft de choreograaf al een korte inkijk in zijn collectie én creatieproces.

Je hebt je eigen souvenirshop bij elkaar gespaard tijdens tournees. Vanwaar kwam die fascinatie?
Souvenirs verzamelen doe ik al jaren, geïnspireerd door mijn grootouders, die tijdens hun reizen als reisbegeleiders altijd iets kleins meenamen. Wat me fascineert, is de paradox: souvenirs worden gepresenteerd als uniek of handgemaakt, maar bestaan vaak in talloze varianten en worden commercieel vermenigvuldigd. Toch wil iedereen zo’n object mee naar huis nemen als een uiterst persoonlijk aandenken.

In het begin verzamelde ik allerlei brol, vooral kleine objecten, maar op scène bleek dat moeilijk te vertalen. Daarom zijn we ons gaan focussen op kledij en grotere gebruiksvoorwerpen. Geleidelijk evolueerde de collectie op scène naar kunstsouvenirs: herkenbare beelden zoals de Mona Lisa op een pull, de wolkenhemel van Margritte of werken van Banksy. 

De scène zal dus gevuld worden met iconische kunstwerken?
Klopt. Sommige iconische beelden en muziekstukken zijn helaas zo vaak hergebruikt dat we hun oorspronkelijke schoonheid niet meer voelen. Ze zijn slachtoffer geworden van hun eigen succes. Op souvenirs zie je bijvoorbeeld de Mona Lisa of Botticelli’s Venus in afgevlakte, fragmentarische versies zonder textuur of glans. In de voorstelling tonen we die Venus ook slechts gedeeltelijk en sterk ingezoomd. Het is spannend om dan te onderzoeken: hoe ver kunnen we daarin gaan voor ze haar herkenbaarheid verliest?

Net zoals souvenirs, halen we de beelden uit hun context en plaatsen ze in een nieuwe. Zo wordt kunst verhandeld, hergebruikt, gecommodificeerd. Collectief lijken we daardoor gewend te raken aan kopieën, aan kunst los van haar oorsprong. Maar niet alleen de museumshop, ook het museum zélf ontwortelt kunst. Waar schilderijen vroeger gemaakt werden voor één specifieke plek, een kerk of een paleis, vinden we ze nu samengebracht onder één dak. Dààr begint de loskoppeling van kunst en haar oorspronkelijke context al.

Die kunstwerken zien we vooral terug op kledingstukken. Was dat iets wat je al langer wilde onderzoeken?
Kledij wordt in dans vaak gebruikt om nieuwe silhouetten te creëren. Met stukken zoals de Mona Lisa-hoodie vervagen de lijnen van schouders en ellebogen, waardoor het lichaam een andere vorm krijgt. We spelen zo meer met materie en textuur dan met objecten. Wat ik interessant vind, is de onvoorspelbaarheid: een sjaal of paraplu reageert nooit twee keer hetzelfde. Met die toevalligheden kan je blijven experimenteren. Dat aspect heb je minder met bijvoorbeeld een koffietas.

© Tiene Carlier (repetitiefoto's)

Merk je veranderingen op in je bewegingstaal nu je voor kleine kijkers creëert?
Ja, we zetten nu sterker in op theatraliteit en humor, iets wat we voordien minder deden. Miguel (do Vale) is een uitstekende acteur, waardoor die theatrale laag goed tot zijn recht komt. Voor de vierjarigen, die minder geïnteresseerd zijn in subtiele beweging, werkt de expressie op het gezicht als extra laag; zo ontstaan er meerdere leesniveaus.

Bij andere voorstellingen speel ik vaak op de grens tussen ‘good boring’ en ‘bad boring’, waarbij ik zoek wat ik kan rekken of juist inkorten. Voor 4+ verschuift dat: we werken met mildere intensiteiten en vermijden de extremen die je bij volwassen publiek soms juist nodig hebt.

Je deed recent al een eerste try-out met een klas. Welke reactie is je daarvan bij gebleven?
Wat me opviel, is hoe kinderen helemaal niet bezig zijn met haalbaarheid. Ze zeggen bijvoorbeeld: “Regen moet uit de hemel vallen” of “het podium moet onder water staan.” Ze denken meteen out of the box. Maar nog mooier dan hun vragen, vond ik het om te zien hoe ze gewoon kijken en reageren. Vaak spreken ze onbewust het meest terwijl de voorstelling speelt.

Je vertrouwt het stuk toe aan danser Miguel do Vale, die het ook samen met jou creëerde. Waarom was hij de geschikte persoon?
We kozen Miguel na een reeks audities. Zijn achtergrond in theater, vóór hij in dans rolde, gaf hem meteen een streepje voor. Hij heeft een heel pure manier van spelen en een van nature expressief gezicht. Miguel heeft bovendien ervaring met jong publiek, onder meer bij Tabea Martin. We werken goed samen: waar mijn focus meer ligt op dans, circus en beeld, brengt hij zijn theatrale kunde binnen. Dat maakt het proces heel complementair.

De pianomuziek in de voorstelling is van de hand van Sarshar Ghozat. Naar welke klanken en sfeer zochten jullie?
Het was geen eenvoudige zoektocht. Onbezonnen kozen we voor Brahms’ Hungarian dances als beginpunt, zonder te beseffen dat het eigenlijk een quatre-mains is, een uitdagend stuk gecomponeerd voor twee pianospelers. Daarnaast zocht ik iemand die niet alleen technisch sterk was in het klassieke repertoire, maar ook durfde te experimenteren. Iemand die in lagen en contrasten denkt en composities kan laten verschuiven van iets vertrouwd naar iets volledig nieuws. Sarshar bleek perfect. 

De muziek vertrekt vanuit herkenbare melodieën: Bach, Beethoven, Vivaldi, onze ‘schlagers van de klassieke muziek’ en evolueert geleidelijk naar Sarshars eigen compositie. Net als in de souvenirs en de dans spelen we met subtiele vervormingen van het origineel.

Tot slot: welk voorwerp of moment vind je zelf het interessantst in de voorstelling?
Momenteel het poppenspelmoment met de Mona Lisa op Miguels knie, waarin ze hem als het ware verleidt. In dat kleine spel ontstaat een soort abstract poppentheater. Dat element is er spontaan ingeslopen: onder invloed van Miguels bewegingen veranderden de kunstobjecten plots in personages. Het was fijn om die interesse in poppentheater onverwacht te kunnen ontdekken en verder te verkennen tijdens het maken.